Categorieën
jargon newspeak politiek jargon

‘White fragility’

Bent u blank en schiet u meteen in de verdediging als er naar uw smaak te snel over racisme wordt gesproken? Dan heeft u last van white fragility. U leeft in een comfortabele witte bubbel waar geen pijnlijke discussies over racisme worden gevoerd. Dat wilt u ook zo houden. Brengt iemand het toch ter sprake, dan reageert u gepikeerd of klapt u dicht. U bent te fragiel om dit debat aan te gaan.

De term ‘white fragility’ werd in 2011 gemunt door Robin DiAngelo, een Amerikaanse hoogleraar multiculturaliteit, die een naam wilde geven aan de soms defensieve of ontwijkende reacties van blanke mensen op racisme-debatten. Inmiddels is het begrip ook in Nederland geland en dook het afgelopen mei op in een NRC-artikel (‘Je bent racistischer dan je denkt’) van schrijver Alma Mathijsen. White fragility is niet alleen een Amerikaans fenomeen, aldus Mathijsen, blanke overgevoeligheid in het racismedebat speelt hier evengoed.

Uit: De Groene Amsterdammer – woensdag 15 juli 2015 (€ 0,29 via Blendle)
mirror

Categorieën
journalistiek

De toekomst van de journalistiek, volgens Jeff Jarvis dan

Jeff Jarvis
Jeff Jarvis

Jeff Jarvis als spreker is altijd fijn. Ik heb zijn boek ‘What Would Google Do?‘ niet gelezen, maar beluisterd, als audioboek. Dus ik wist dat Jarvis een vloedgolf aan voorbeelden en anekdotes aan elkaar kan rijgen om zijn punt duidelijk te maken.

De KRO, TMG en het KIM hadden Jarvis naar Nederland gehaald om hem aan het woord te laten over de toekomst van de journalistiek. Uit de aankondiging:

“Journalisten zouden meer service gericht moeten werken en afnemers niet als een anonieme massa moeten zien. ‘Dat is oude journalistiek, beperkt door de industriële productie- en distributiemogelijkheden. Maar als we in kaart brengen wat die individuen nodig hebben en nieuws als een serviceproduct gaan zien, dan kunnen we ze veel beter bedienen.”

Heul interessante vraag, maar hoe Jarvis dat voor zich ziet werd niet duidelijk.Een paar andere ideeen werden wel duidelijk. Bijvoorbeeld: wat bedoelt Jarvis met ‘niet content, maar service is king’?
Hij gaf het voorbeeld van berichtgeving rond de orkaan Sandy. Journaals berichtten over hoeveel bomen er omgewaaid waren en hoeveel winkels beschadigd. Maar waar waren de mensen in de getroffen gebieden volgens Jarvis eerder in geinteresseerd? In welke straten afgesloten zijn.

Journalisten waren vroeger niet gesteld op contact met de lezer. ‘De lezer’ was dat irritante individu dat zure brieven schreef: “Letters in crayon with drool on it…. We wanted to avoid the public.” Dat moet anders. Nieuws moet niet gemaakt worden voor ‘de massa’, maar voor de enorme groep individuen. Jarvis raadt journalisten en mediaondernemers aan zich telkens rekenschap te geven van de relatie die ze hebben met hun nieuwsconsument. Wat weet je van hem? Wat weet hij van jou? Wat biedt je hem? Wat biedt hij jou? Dit vertaalt zich in andere ‘metrics’. Niet langer moet je kijken naar het aantal pageviews op je site, maar je moet veel duidelijk kijken naar hoe elke gebruiker je site bekijkt. Laat het maken van content alleen los, zei Jarvis. Bied geen content, maar bied een service.

Grappig was dat Jarvis het fenomeen longreads bespotte. Dat noemde hij een ego-dingetje voor journalisten. “Long doesn’t mean smart”. Hij vond dat journalisten hun ego opzij moesten zetten en zich meer moesten richten op samenwerking. Ook de vorm van artikelen gaat veranderen onder invloed van online publiceren. Waar journalisten de vaste vormen ingeprent krijgen voor printartikelen moeten ze die voor online-artikelen weer loslaten. Het in een piramidevorm schrijven van artikelen zodat ze ‘oprolbaar’ zijn is typisch iets wat vanuit de beperkingen van een drukkerij ontstond. Of het opnemen van zogenaamde achtergrondinformatie in een artikel. Vaak volstaat het verwijzen naar Wikipedia. Waarom zou je die informatie niet gebruiken of willen overtreffen? Een artikel wordt zo gedeconstrueerd tot ‘assets and paths through them’. En deze assets kunnen gemaakt worden door verschillende personen.

Journalisten zijn niet meer de poortwachters voor infomatie. Het is nu veel interessanter om te kijken op welke platforms je content gedeeld kan worden. Een artikel zou net zo deelbaar moeten zijn als een YouTube-filmpje: met eigen ‘brand, revenue, analytics, and links‘.

Maar hoe kun je er nog iets aan verdienen? Jarvis heeft niet -teleurstelling- de oplossing.
Hij ziet wel dat er meer, maar kleinere organisaties komen. Meer specialisten, minder generalisten.
Paywalls? Geen gouden oplossing. Alleen voor de Grote Namen. Kranten als New York Times. Niet voor lokale krantjes. En dan nog is de balans precair. Van alle lezers van de NYT betaalt slechts 1%. Een procent! Dat is een dunne basis.
Advertenties moeten we ook niet meer massamediaal behandelen door met een schot hagel op de muggen te schieten. Ken de beadverteerde. Maar: “We in the media really screwed up the cookie”. Hierin moeten mediabedrijven echt heel hard werken om het vertrouwen van de consument terug te verdienen. Enkele uitzonderingen daar op: Amazon. Amazonklanten snappen waarom suggesties gedaan worden op basis van eerdere aankopen. Omdat de aanbiedingen van Amazon veel accurater zijn.
Voor elke uitgever en journalist geldt volgens Jarvis: “We have to become digital-first operations. Print is optional” De scholen voor journalistiek moeten opgeschud worden. Journalisten moeten ook leren om ondernemers te worden, zich te specialiseren. Maar we weten nog niet waar de veranderingen eindigen. Het is “Too soon to define what jounalism is nowadays.”

Maar hoe leer je als uitgever je lezer echt kennen en hoe bedien je hem het beste? Eh, ook na een lezing van Jarvis weet ik het antwoord niet.

Het KIM is trouwens het Katholiek Instituut voor Massamedia. Als er iets nog ruikt naar landdagen en bakeliet…

(dank Moniek Zuidema, voor de uitnodiging. Je moet meer gaan bloggen. Echt.)